Ex Tempore jaargang 44 (2025) afl. 2
Inhoud
- Sophie van den Heuvel, ‘De lange weg naar een ideaal museum. De praktische toepassing van nieuwe museulogische idealen’, 6-31.
- Lindsay Janssen & Christopher Cusack, ”All in the same boat?’ Hongersnoodmigratie in Ierse musea’, 32-51.
- Arthur Crucq, ‘Hybride kunst uit een koloniaal verleden. De Schmutzer-Iko collectie uit Steyl’, 52-73.
- Maarten Voncken, ‘Partners in Science. ASML en het Van Gogh Museum’, 74-88. Beschikbaar 2 februari
Redactioneel
Beste lezer,
Voor u ligt ons speciale museumnummer, een editie die al bijna twee
jaar geleden tijdens een redactievergadering voor het eerst geopperd
werd. De vele andere onderwerpen die toen nog in de pijplijn zaten maakten echter dat de uitvoering van desbetreffend themanummer even op zich
heeft laten wachten. Dat blijkt overigens niet al te erg te zijn, want het biedt
ons de mogelijkheid om de editie een wereld in te sturen waarin het debat
over de rol van musea in de westerse samenleving interessante wendingen
genomen heeft.
Hedendaagse en historische pogingen om musea onderdeel te maken van politieke doelstellingen zijn illustrerend voor de rol die musea
binnen de creatie van een collectieve geschiedenis en het uitdragen van
een ideologie toebedeeld kregen en nog altijd krijgen. Het zijn keuzes die
de aandacht wegnemen van de wetenschappelijke en maatschappelijke
processen en ontwikkelingen die bij de samenstelling en interpretatie van
museumtentoonstellingen komen kijken. Met deze editie hopen we juist
daar een weergave van te bieden.
Sophie van den Heuvel opent de editie met haar artikel over de zogeheten nieuwe museologie, een beweging gericht op het veranderen van de
wijze waarop de inrichting van musea tot stand komt. Het artikel is het resultaat van een historische analyse van drie tentoonstellingen tussen 1992
en 2016 en beslaat zowel de maatschappelijke oorsprong van het fenomeen
nieuwe museologie, als de theoretische en praktische invulling ervan.
Lindsay Janssen en Christopher Cusack bespreken vervolgens op kritische wijze hoe verschillende Ierse musea over De Grote Hongersnood
(1845 – 1851) bij het samenstellen van tentoonstellingen omgaan met het
gebrek aan objecten en verhalen uit de eerste hand. Een belangrijk onderdeel hiervan is de plaats die het narratief van deze musea heeft binnen de
collectieve herinnering aan de hongersnood en de consequenties die hier
al dan niet aan verbonden zijn.
Het artikel van Arthur Crucq gaat over het Javaanse perspectief op de
hybride Javaans-christelijke kunst, met als casus de beeldhouwwerken die
de Javaanse beeldhouwer Iko begin twintigste eeuw maakte in opdracht
van de plantage-eigenaar Josef Schmutzer. Dit doet hij aan de hand van
correspondentie tussen de plantage-eigenaar en zijn zus Elise Anna Maria
Antonia. Het artikel van Crucq zet aan tot denken over zowel de doorwerking van het koloniale verleden in hedendaagse museumcollecties als de
kans die musea met die reden hebben om het koloniale verleden onder een
breed publiek bespreekbaar te maken.
De museumeditie wordt afgesloten met een voor ons ietwat afwijkende bijdrage die het resultaat is van een opvallende ontmoeting tussen
een historisch tijdschrift en het hightechbedrijf ASML. Dit bedrijf zocht
de afgelopen jaren binding met de Brabantse geschiedenis en ging een samenwerking aan met het Van Gogh museum. Op basis van onze vragen
hierover schreef Maarten Voncken een artikel, waarin hij de ins en outs van
deze samenwerking uit de doeken doet.
Zoals u inmiddels vast weet verschijnen onze rubrieken, net zoals
bovenstaande artikelen, de komende weken op onze website. Veel leesplezier!
Ex Tempore jaargang 44 (2025) afl. 1
Inhoud
- Grace MacLachlan, ‘SALVS PROVINCIARVM. Celebrating the health of the Rhine and its provinces on the coinage of Postumus’, 6-17.
- Nicole Ganbold, ”Thus Appears the Murderers’ Bay’. Abel Tasman, the Māori, and the Image That Made History’, 18-25.
- Martine Meuwese, ‘De mysterieuze Madonna van Melun’, 26-45.
- Pim Möhring, ‘Een ‘Nederlandsch-Indisch karakter’. De Javasche Bank en de vormgeving van het 1864 bankbiljet’, 46-61.
- Jetze Boon, ”Voor een lokaal gebeuren’. Het schrijven van liedteksten en de verwerking van emoties rondom stedelijke transformatie’, 62-83.
- Saar van Kempen, ”Ik verwenschte de muziek’. De rol van muziek binnen het emotionele leven van Maurits van Lennep, Caroline van Loon en hun familie’, 84-99.
Redactioneel
Beste lezer,
Net zoals hoe wij onze representatie van de realiteit zo dicht mogelijk op de realiteit willen laten lijken, dwingt de subjectiviteit van iedere representatie toch af dat onze representaties onze realiteit hervormen. Iemand die nooit op een bepaalde plek is geweest, zal een representatie ervan voor waar aannemen en mocht die persoon er ooit komen, dan zal diens ervaring ervan gekleurd zijn door eerdere representaties.
In dit nummer zullen wij in deze representaties duiken. Hierbij kijken we bijvoorbeeld naar de vormgeving van de eerste afbeeldingen op bankbiljetten in Nederlands-Indië en de overwegingen die ertoe leidden dat Jan Pieterszoon Coen op deze biljetten stond. Ook lezen we over het allereerste contact tussen Europeanen en de Ngāti Tūmatakōkiri uit Nieuw-Zeeland. Hierin lezen we over de eerste representaties van deze bevolking vanuit een Europees perspectief en welke gevolgen dit perspectief heeft voor de representatie. Grace Maclachlan schreef voor dit nummer over de manier waarop de Rijn werd afgebeeld op Oud-Romeinse munten ten tijde van Postumus en hoe de Rijn hier werd gebruikt als legitimatie voor een lokale keizer.
Met deze en andere contributies hopen we met dit nummer licht te werpen op zowel het belang dat iconografie speelt in representatie in de geschiedenis als in de huidige representatie van de geschiedenis.
Dit nummer zal op termijn ook op onze website verschijnen, met daarnaast onze rubrieken zoals Uit de Ivorentoren om up-to-date te blijven met het departement Geschiedenis, als een interview met Roman Krznaric over zijn nieuwe publicatie History for Tomorrow.
